Mevrouw de Groot keek nog altijd naar de klok. Het was een zondagmorgen, herinnerde ze zich. Het konden dus geen controleurs zijn van een of andere gasunie. Ze vertrouwde die mannen met hun fluorescerende pakken en vreemde meters nooit. Mevrouw de Groot nam nog een slok thee en wachtte. Maar de bel ging nog eens, niet lang en dwingend als van een belletje trekkende kinderhand, maar beleefd en vragend. Mevrouw de Groot zette blij haar kopje neer. Ze hield van onverwacht bezoek, herinnerde ze zich. Het was al jaren geleden dat ze dat gehad had. Ze zou de tweede roomsoes aan de onverwachte gast kunnen aanbieden.
Het begint als je in de kamer bent. Alsof je hart dan pas het bonzen weer oppakt, alsof je bewustzijn altijd achter je aan loopt en je pas inhaalt als je stil staat in een van de vele kamers. Voor alle duidelijkheid: je weet dus niet meer hoe het is begonnen. Je weet niet meer hoe je hier terecht bent gekomen. Dat weet je nooit. Alles voor dit ene moment van besef, het weten dat je in een kamer staat, is een warme wazige afwezigheid. Alles hiervoor is als een droom waarvan je alleen het gevoel nog hebt weten te behouden, niet het verhaal. Waar je je bevindt voelt vertrouwd, dat wel. Net als wat je gaat doen vertrouwd voelt.